facebook
^ Terug naar boven

  • 1 Bier brouwen
    Het brouwen van bier is al eeuwenlang een kunst, ook al beseft lang niet iedereen dat tegenwoordig nog.
  • 2 Wilt U zelf bier gaan brouwen.
    Bij ons bent U daarvoor aan het goede adres. Bier brouwen is namelijk eenvoudiger dan U denkt.
  • 3 Bier proeven
    Bier proeven doen we in de breedste zin van het woord.
  • 4 Praten over het brouwen van bier.
    Tijdens de clubavonden die altijd de eerste woensdag van de maand plaats vinden kan elk probleem van het brouwen uitgebreid besproken worden.
  • 5 Kwaliteit.
    We kunnen met recht zeggen dat de kwaliteit van de bieren elke clubavond weer een revelatie is.

D.A.B. de Wortketel.

Bier brouwen en proeven.

  
  

Geschiedenis deel 9

Natuurlijk behoorde bier ook tot de mondkost, die werd meegenomen aan boord van de schepen van de oost-Indische Compagnie. Elk bemanningslid, zo schrijft Nicolaus de Graaff in zijn Oost-Indische Spiegel had recht op dagelijks een kan bier 'zoo lang 't zelve duurt'. Bier kon blijkbaar niet onbeperkt worden meegenomen, en was in die dagen ook niet goed houdbaar. Op een 'generale Lijste van de victualiën die men op een Schip voor hondert en tien Hoofden moet hebben ter Maent' (1636) komt voor: '35 Tonnen bier bij de winter, en de Somer 42 Tonnen'. Voor de Capiteyn werd per maand gerekend op 2 vaten 'goed' bier. Tot aan Kaap Finisterre drinkt het volk 'bij dag en nagt Bier naar genoegen. Dan was het feest afgelopen, en voor de verdere reis moest men het doen met bedorven water en brandewijn. Wij kunnen ons nauwelijks realiseren hoe groot de dorst aan boord van de schepen moet zijn geweest. Want men at louter dorstwekkende spijzen: stokvis, grauwe erwten, spek, gezouten vlees, haring. En dat temidden van een eindeloze plas zout water, met de warme tropenzon boven het hoofd. Hoe moeten die schepelingen, dan gesnakt hebben naar een kroes goed bier! De zeventiende eeuw, onze Gouden Eeuw, zien wij - op een afstand van meer dan drie eeuwen - met enige vertedering. Ja toen, zeggen wij, toen wisten we te leven hier in Nederland... Maar ook die tijd had, als elke tijd, zijn problemen en zijn tragiek. De aarde is nimmer een paradijs geweest en zal het ook nooit worden. Want misschien kijken wij wel met enige weemoed naar de jolige schuttersstukken, waarop welgedane heren duidelijk tonen, hoe zij het aardse leven weten te genieten, maar daartegenover zien wij hangen de bijtende sarcastische portretten die Frans Hals schilderde van regentessen met zuinig toegeknepen mondjes en harde, koude ogen. En Breero mag dan al in de vaderlandse letteren bekend staan als oubollig spotter en schepper van boertige poëzie en toneelstukken, hij was toch ook de dichter van dromerige en soms dieptragische liefdeslyriek, die ons nu, na drie eeuwen, nog in het hart grijpt. En in de schaduw van alle rijkdom en weelde was er toch ook een bittere en tegenwoordig moeilijk voor te stellen armoede, gepaard met kindersterfte en vele en ernstige ziekten. Ook de zeventiende-eeuwse mens had zijn problemen, die niet minder waren dan onze problemen. Maar wellicht wist hij er makkelijker mee te leven en kon hij ze gemakkelijker aanvaarden. Omdat hij de donkere kanten van het leven wellicht minder opstandig aanvaardde dan wij, kon hij ook meer onbekommerd genieten van de lichtzijden. Het zeventiende-eeuwse leven was nog vol kleine huiselijke feesten, die in onze tijd bijna of geheel zijn afgesloten. Men kon zichzelf nog amuseren in de huiselijke kring. En men amuseerde zich. Met muziek en met meer aardse genietingen. Nooit is er in de Nederlandse huiskamers zoveel muziek gemaakt, zoveel gezongen en gedanst als in de zeventiende eeuw. De 'liedtboeckxkens' voor huiselijk gebruik uit die tijd zijn niet te tellen. Op alle bekende wijsjes maakte men steeds weer nieuwe woorden, toepasselijk zowel op huiselijke en kerkelijke feesten als op heugelijke openbare gebeurtenissen. EIk huis beschikte over verschillende muziekinstrumenten. Men hoeft in onze musea maar de zeventiende-eeuwse interieurschilderijen te zien, waarop de luiten aan de wand hangen, en de jongedames het klavecijn bespelen. Men hoeft maar de brieven van Hooft te lezen, waarin hij de leden van de Muiderkring uitnodigt om op het Muiderslot te komen spelen en zingen, en men begrijpt, dat er in die tijd veel en graag muziek werd gemaakt. Het spreekt vanzelf dat er bij al deze huiselijke feestjes stevig gegeten en gedronken werd. Van zingen wordt men dorstig! Een royale omvang was voor onze voorouders geen probleem. Integendeel, een vrouw behoorde weelderige rondingen te hebben, wilde zij mooi genoemd worden, en een vooraanstaande man behoorde ook letterlijk een man van gewicht te zijn. Op al deze huiselijke feestavondjes zal zeker het bier - en dan natuurlijk bier van de beste kwaliteit - in de tinnen kroezen of misschien wel in glazen, geschuimd hebben. Zo laat Breero de oude min Geertrui in een sappig relaas aan een zekere jonker Frederik vertellen, hoe het bij huiselijke feesten in het huis van zijn ouders toeging: 'As 't Kersttijd was, dan noodde hij ons op de wittebroodssoep. Heer! wat goot er je Fijtje Floris een pot met gulle boter op en dan dronken wij de betouw (soort bier) zoo lustig as water'. En hoe gezellig moeten die oud-Hollandse kraamvisites zijn geweest! Er werd wel van alle kanten gefulmineerd tegen het 'Kinderbier', het nodigen van vrienden en geburen op een stevig glas, als een nieuwe wereldburger zijn intrede had gedaan, maar al dit gefulmineer zal vermoedelijk weinig resultaat hebben gehad. 'Het was een oude gewoonte', zo lezen wij in het verrukkelijke boekje Nederlands Displegtigheden, 'dat er na het doopen van een kind lustig wierd omgeschonken, 't welk naar den gewoonen drank, genaamd is Kinderbier. En hoe de overdaad zij gepleegd en hoe lang deze gewoonte en buitensporigheid daarin geduurd hebbe, kan afgenomen worden uit zekere Duitse Ordonnantie, zonder Jaarteekeninge, omtrent het 1600 uitgegeven, tegen het zoogenaamde Kinderbier, door Sasbout Vosmeer, eerst. in 't jaar 1583 algemeen Vikaris van de openstaande Kerk en Stoel van Uitrecht, naderhand in 't jaar 1589 Pausselijk of Apostolisch Vikaris over de Vereenigde Nederlanden'. In de 'Landregten van Zutfen' werd in het jaar 1604 vastgesteld, dat men 'op kindervieren niet meer dan 8 paar volks zal bidden, und zal niemand daar op schenken dan die Gevader'. Wie zich hier niet aan hield moest een daalder boete betalen. De pasgeboren kindertjes op wier voorspoedige geboorte blijkbaar zo genereus uit de bierkan werd geschonken werden zelf ook al gauw aan bier gewend.

043_106


Zodra de borsvoeding was afgelopen kregen zij bier als drank. Maar de ware smaak van het bier kregen zij waarschijnlijk toch pas later te pakken: in hun studententijd. De kost die aan inwonende studenten, de zgn. 'bursalen', gegeven werd, stond onder nauwkeurige controle van het stadsbestuur. In Leiden kregen zij 's zondagsmiddags tarwebroodsop, gezouten warm rundvlees, schapenhutspot met lemoenen, en in de week wittebroodsop van melk of schapennat, gezouten vlees, gehakt met krenten, of kool, schapenhutspot met wortelen of pruimen, grauwe erwten met boter, verse zee- of riviervis. Ontbijt en avondmaaltijd bestonden uit brood, boter en komijne-koeienkaas. En bij elk van deze drie maaltijden bier als drank. In aanmerking nemende de algemene voeding in die dagen was de studentenvoeding nog niet eens de slechtste. Het zal in deze studententehuizen beslist niet ongezellig zijn geweest. Helaas weten we weinig over studentenhuizen in Nederland, maar wel zijn ons enkele sappige verhalen bekend over de studenten in Jena, Duitsland. Daar studeerde, tegen het einde van de zeventiende eeuw, zekere Nicolaus Bach, een neefje van de grote Johann Sebastian. Nicolaus was - wat wij zouden noemen - werkstudent. Hij betaalde zijn studie geheel of gedeeltelijk door zijn werkzaamheden als assistent van de stadsorganist en door muzieklessen te geven. Ook dirigeerde hij van tijd tot tijd het Collegium Musicum, het studentenmuziekgezelschap. Het moet daar af en toe nogal wild zijn toegegaan, want als de orkestleden het niet met de dirigent eens waren, dan aarzelden zij niet hoorns en vedels op diens arme hoofd aan stukken te slaan. Het befaamde temperament van de familie Bach zal aan dergelijke uitbarstingen niet vreemd geweest zijn...

044_108


Er werd in Jena, zelfs voor die tijd, stevig gedronken. Dit ging echter met volledige toestemming van de medici uit deze stad, die beweerden dat de droge lucht in Jena een voortdurende bevochtiging van de keel noodzakelijk maakte. De grote beroemdheid van Jena was de wiskundige en astronoom Erhard Weigel, die niet alleen befaamd was als wetenschappelijk theoreticus, maar ook als vernuftig uitvinder. Nicolaus Bach kwam graag en veel bij Weigel. Hij hoefde dan niet moeizaam alle trappen van het oude hoge huis op te lopen, want Weigel had een 'lift' geconstrueerd in de vorm van een mand, die hij met een katrol omhoog liet hijsen. Ook had deze bijzonder vindingrijke professor een mechanische 'keldermeid' in huis: als men in de huiskamer water in een buis goot, dan zette men een ingenieus stelsel van communicerende vaten in werking, en draaide men dan de kraan naast de buis open, dan kwam de wijn of het bier regelrecht uit de kelder naar boven. Waarschijnlijk had professor Weigel de eerste bierpomp ter wereld geconstrueerd! Jena beschikte in die tijd over een bierkoopman, Johannes, die behalve dit belangrijke beroep nog twee functies had: 's nachts bewaakte hij de Johannisturm en 's zondags bediende hij de blaasbalgen van het orgel. Nicolaus Bach, voor zijn zondagse arbeid afhankelijk van de energie die Johannes bij het orgeltrappen wist te ontwikkelen, heeft - misschien om eens wat terug te doen - deze Johannes als hoofdpersoon gekozen voor een kantate: Der Jenaische Wein- und Bierrufer. In deze kantate vermaken twee jonge studenten zich met het plagen van de oude bierkoopman Johannes, door hem de gemeenste scheldwoorden naar het hoofd te slingeren. Nicolaus Bach heeft met kennelijk plezier al deze studentikoze woorden gebruikt. Als men beroepshalve steeds maar religieuze werken moet componeren, dan wil men ook wel eens wat anders. De familie Bach hield wel van van een grapje op zijn tijd. Johannes weet er echter ook nog wel een paar, en zo gaat het tegen elkaar in, tot Johannes tenslotte wint, en men gezamenlijk een slotaria zingt op de grootheid van Jena. Dat de familie Bach op zijn tijd graag bier dronk moge verder blijken uit het gedicht dat zekere Tobias Friedrich Bach, cantor in Erfurt, in het poëzie-album van een neefje schreef:

 

 

Mijn naam is Bach, ik houd van bier
ben sterfelijk als een ieder hier.
In leven cantor, heb ik mijn brood
door middel van eens anders dood.

 

(de brave man moest immers altijd spelen bij begrafenissen, waarna hij zich zeker de bekommernis met een glas bier weggespoeld zal hebben).
Men had in die tijd in Duitsland ook de zgn. bierfiedelaars. Dat waren, wat wij zouden noemen, beunhazen. Bijna elke Duitse stad, ook de kleinste, had officiële stadsmuzikanten, die een vast salaris genoten, en als 'stadspijpers' moesten spelen bij openbare feestelijkheden en kerkelijke plechtigheden. Bij wereldlijke feesten gaven zij dan de zgn. Turmmusik met bazuinen en hoorns en soms ook doedelzakken. Verder speelden zij voor particulieren - tegen een door het stadsbestuur vastgesteld tarief- bij doopplechtigheden, huwelijken en begrafenissen. De bierfiedelaars echter deden deze officiële muzikanten ernstige concurrentie aan door te schnabbelen en bij allerlei feesten te spelen tegen een vergoeding in bier (vandaar de naam), die ver onder het tarief van de stadsmuzikanten lag. Vele leden van de Bachfamilie waren officieel stadsmuzikanten en hun ergernis over de bierfiedelaars heeft hen voortdurend het leven vergald. Dronk men thuis bier bij de maaltijden en schonk men er bier voor zijn gasten, de mannen zochten zowel bier als gezelligheid in de taveernen. Misschien is de taveerne - en in onze dagen het café - een allerlaatste overblijfsel van het 'mannenhuis' uit de verre eeuwen, toen het matriarchaat de overheersende maatschappijvorm was. In het mannenhuis (deze mannenhuizen bestaan nog steeds, daar waar het matriarchaat heerst, zoals in sommige delen van Indonesië) trokken de mannen zich tezamen terug uit de hen af en toe benauwende vrouwenwereld om zichzelf te kunnen zijn. In het café, of liever gezegd, zonder er iets slechts mee te bedoelen, de kroeg - dat typische, in vrouwenogen zo ongezellige etablissement, bruin berookt, met zand op de vloer en allersoberst meubilair - bestaan geen rangen en standen. Aan de tapkast vinden jongelui en gepensioneerde heertjes, arbeiders en studenten, kantoormensen en bohémiens elkaar bij bier of borrel. Men is màn en men heeft zich, al is het maar voor een uurtje, onttrokken aan de vrouw en haar - meestal - liefdevol en geduldig gedragen bemoeizucht. In de zeventiende eeuw was het niet anders dan nu. Ook toen vonden de mannen elkaar boven een glas aan de tapkast, om nu eens heerlijk te zwetsen en hun heldendaden aan andere helden te kunnen vertellen, zonder een lichtelijk ironisch vrouwelijk oog op zich gevestigd te voelen. Men noemde deze taveernen in Nederland in de zeventiende eeuw 'vaantjes' omdat er een houten vaantje voor de deur hing. Jan en alleman kwamen er; bij een kroes bier werden alle tegenstellingen - althans even - vergeten. Zelfs deftige Leidse hoogleraren dronken in het 'vaantje' hun glas. En zij lieten het zeker niet bij één glas, want van de Leidse professoren Lipsius en Baudius wist iedereen, dat ze af en toe wat al te vrolijk thuis kwamen, en van professor Sylvius werd bij zijn begrafenis - in 1672 - speciaal vermeld, dat men hem nog nooit dronken had gezien. Breeroo heeft een kostelijk gedicht geschreven over een Amsterdamse taveerne waar een aantal Haarlemmers werd uitgenodigd om tegen de Amsterdammers bier te drinken:

 

Haarlemsche drooge harten nu,
Komt, toont hier wie ge zijt.
Wij Amsterdammers tarten u
te drinken eens om strijd.

 

De waardin tapt voor wevers en voor snijders, voor kapiteins en luitenants, voor vaandrigs en sergeanten, voor korporaals, schrijvers en adelborsten, voor ouwe soldaten' en drogisten, kortom voor een bonte verzameling van mannen 'die drinken met verstand'. Zoals er nu aan de bar geknobeld wordt, zo had men in de zeventiende eeuw ook allerlei spelletjes. Men was verzot op alle mogelijke soorten van glazen en bekers, waarmee 'gespeeld' kan worden, zoals bijvoorbeeld de molenbekers, waarvan de wieken draaiden als er in geblazen werd. Het was dan zaak de beker leeg te drinken, vóór de wieken waren uitgedraaid. Of wel, wie de wieken het langst kon laten draaien, had vrij drinken.

045_112


Natuurlijk waren er ook bekers, die niet konden worden neergezet en in één teug moesten worden leeggedronken, zoals de oud Germaanse drinkhorens. Men had 'klepelglazen', drinkglazen in de vorm van een klok, die niet neergezet konden worden, maar in de bodem een haakje hadden met een glazen of zilveren klepel eraan. Was het glas leeg, dan keerde men het om en liet de klepel luiden, ten teken dat er weer bijgeschonken kon worden. De uitdrukking 'iemand uitluiden' zou afkomstig kunnen zijn van deze klokglazen. Toen in het jaar 1581 Filips II door de Staten Generaal plechtig werd afgezworen, ledigden de gasten ad fundum dergelijke klepelglazen en daarna lieten zij luid de klepels klingelen. Op deze gebeurtenis is een liedje gemaakt:

 

 

Duk d'Alf die heeft het te zwaar verbruid
Wij luien den koning van Spanje uit.

 

Hoogstwaarschijnlijk zal het dus niet bij het 'uitluien' in de Statenvergadering zijn gebleven, maar zal er ook in de verschillende taveernen duchtig 'uitgeluid' zijn.

 

grolsch-logo

 

Welkom bij de wortketel

Het brouwen van bier is al eeuwenlang een kunst, ook al beseft lang niet iedereen dat tegenwoordig nog. Het is wél een kunst die iedereen kan leren en waar iedereen van kan genieten. "D.A.B. De Wortketel" is het Drentse gilde van amateur bier-brouwers en bierproevers. Het doel van het gilde is om het zelf brouwen en proeven van bier als prettige hobby uit te dragen.

Lees meer...

Agenda

Geen evenementen
Copyright © 2018. Drentse Amateur Bierbrouwers Vereniging  Alle rechten voorbehouden.